Hellen van Meene – The years shall run like rabbits

Posted on

“je wordt veel langer onthouden en aangesproken om werk dat niet goed was, dan om werk dat wel goed was”.

Hellen van Meene – Lezing voor studenten fotografie van Narafi en Sint Lukas, naar aanleiding van haar boek “The Years Shall Run Like Rabbits” (Ludion).

Hellen van Meene - The years shall run like rabbits
Hellen van Meene – The years shall run like rabbits

“Een olifant in een porseleinwinkel, een bruut”.  Zo omschrijft Hellen van Meene (1973) haar manier van werken en doen een paar keer tijdens haar lezing voor de studenten fotografie van de campussen Narafi en Sint Lukas van de Luca School of Arts.

 

Haar portretten daarentegen hebben niets van die omschrijving.  Gevoelig, subtiele kleuren, intiem, breekbaar.  Gefotografeerd met koud, zacht fluwelen, Noord-Europees winterlicht.

 

Al 20 jaar lang maakt Hellen portretten.  Niet van modellen. Niet van “mooie” mensen, zoals ze het het omschrijft. “Maar van mensen die haar aandacht op straat trekken”.

“Al mijn modellen zijn van straat geplukt”. De straten van Alkmaar, vanwaar ze komt.  “Zo leg ik mijn verzameling van portretten aan.  Ik geef ze wat licht aan probeer iets aan het portret toe te voegen”.

 

Hellen kiest hoofdzakelijk – bijna uitsluitend – voor jonge mensen. Tieners. Adolescenten.  “Omdat ze als model nog maakbaar zijn.  Je kan nog zoveel variaties in hun steken, zodat er meerdere betekenissen aan kunnen verbonden worden.  Dat kan je niet met oudere mensen.  Die zijn eerder “saai” en hebben een leven geleefd. Daar kan je dus weinig mee doen. Met jonge mensen kan je nog alle kanten op.  Dat heb ik nodig, die ruimte in mijn werk.”

 

Ter illustratie laat ze een beeld van een meisje zien. Jong gezichtje, grote krullenbos. Het lichaam gedrapeerd in een ouderwets kleed.  Koud tegenlicht.  Uitdrukkingsloos. Handen over mekaar, zoals oudere mensen doen wanneer ze tegen jongere kinderen praten.  “Net een omatje”, legt ze uit.  Maar het is amper een tienermeid.

 

Onvolmaaktheden, imperfecties. Je vindt ze terug in haar beelden.  “Maar ze storen me niet”, verduidelijkt Hellen. “Integendeel.  Okselhaar, een draadje aan een stukje lingerie dat los hangt, dat hoort er bij.  Ik laat dat staan, want het hoeft niet perfect te zijn”.

 

Zo kiest ze ook nog steeds voor analoge fotografie. Na 20 jaar houdt ze nog altijd van de spanning van het sturen van de filmrolletjes naar het labo.  “Wanneer je ze terug krijgt, beleef je de shoot opnieuw, beleef je de beelden opnieuw.  Maar er is tijd kunnen overgaan”.

 

Die tijd heeft ze ook nodig bij het maken van beelden.  “12 frames zitten er op een rolletje. Dat dwingt me om niet lui te worden en hard te werken.  De spanning van niet te weten of ik het beeld heb, dwingt me om goed te kijken, me te concentreren.  En bovendien heeft het analoge iets schilderachtig, waar ik wel van hou”.  Het past bij haar beelden.

 

Na al die jaren houdt ze nog steeds van portretfotografie en zoekt ze nog steeds naar gezichten “die niet in de collectie” zitten.   Daar gaat ze dan achteraan.  “Alles moet wijken voor de fotografie”.  Zelfs haar angst voor “honden”.  Honden, die ze nu als modellen gebruikt om portretten van te maken. Al dan niet in combinatie met kinderen.  “Niet dat ik mooie foto’s van honden wil maken. Nee, ik wil brute foto’s”.  Maar steeds met dat schilderachtige, subtiele, koude licht slaagt ze erin om sterke, aparte, interessante portretten van honden te creëren.

“Het is een fantastisch spel om als roofdier met het model te werken.  Om ze te laten doen wat ik wil dat de modellen doen.  Kinderen zullen daar altijd een onderdeel van blijven. Maar ook kinderen en honden samen op de foto”.

 

De samenwerking met de galerij, waar ze jaren voor werkte, is daardoor gestopt.  Ze paste niet meer in het plaatje dat ze met haar voorhadden.  Maar Hellen houdt van controle. Controle van haar werk. Controle over haar werk.  “Ik laat maar sporadisch nieuw werk zien”, zegt ze.  “Je zal het nooit op Facebook vinden.  Mijn werk hang ik eerst thuis op. Er moet tijd overgaan voor ik vind dat ik er mee naar buiten kan komen. Het zijn mijn babies”.

 

Die controle trekt ze door in de grootte van haar prints.  Zo worden portretten geprint op 29cm hoogte (ongeveer, maar niet helemaal een A4).  “Hierdoor dwing ik de kijker heel dicht bij mijn portretten te komen.  Heel intiem. En zo zit er niemand, hijgend en zwetend, over je schouder mee te kijken. Moest ik het groter printen, dan kan dat wel. En dat wil ik niet”.

 

Enkel voor de beelden met de honden werd het formaat aangepast. “Dat moest op 70/70cm geprint worden. Hierdoor worden het haast iconen”.

 

Zelf doet ze weinig werk “in opdracht”.  Af en toe wel editoriaal werk.  Daar wordt ze uitgedaagd om wat buiten haar eigen werk te treden, maar nog steeds de touwtjes strak in handen te houden en haar eigen stijl door te drukken. “Dat is belangrijk”, zegt ze, “want je wordt veel langer onthouden en aangesproken om werk dat niet goed was, dan om werk dat wel goed was.  Daar moet je dus goed mee oppassen.  Ik neem dus niet zomaar om het even wat aan”.

 

Waarom staat Hellen nog elke dag op om nieuw werk te maken?

“Wel, alles is al gemaakt: kinderen, gebouwen, honden, bloemen, auto’s, … Maar nog nooit door mij! Dus ik sta ’s ochtends op om nieuw werk te maken, waardoor ik iets ontdek en ik een nieuwe bestemming krijg.  Je kan je niet helemaal afsluiten van iedereen, maar het is wel fijn om je gewoon te focussen op de dingen die je leuk vindt.